Door Anoniem: @15:35 Seksualiteit en moraal lenen zich voor politieke instrumentalisering. Zie je hier in elke discusie over CSAM weer opduiken.
Ook in de media en ook in Nederland. Het beruchte Mabel-Gate. Seksuele beschuldigingen vielen historisch nog al eens samen met politieke crises of onthulling van geheimen. Iran-Gate, Romeo’s van de Stasi, Watergate en callgirlnetwerk enz.
Een gevonden patroon hoeft geen gevolg te zijn van gecoördineerd complot, maar kan ook berusten op consensus: zo werken we nu eenmaal, al decennia. Mooier woord voor complot is dan combine, met alle negatieve bijbetekenissen die die term ook heeft. Maar dan zijn we van dat woord complot af. Eindelijk.
Banale sociaal-culturele factoren zoals sensatiezucht en veranderende moraal, kunnen ook verklarende factoren n gevonden patronen zijn. Een politieke of staat-gebonden actor hoeft geen normen te produceren, hij verspreidt wat toch al bestaat en zet het strategisch in. Belangen van overheidsinstanties, media en politiek kunnen samenvallen, dat is dan het resultaat van strategische convergentie. Dat hoef je deelnemers niet uit te leggen, die weten hoe de hazen lopen en waar hun persoonlijke belangen liggen. Het is voor een daarin geinteresseerd publiek interessant, en kan bijdragen aan de wetenschap, ook wat betreft theorievorming.
Media aandacht en juridische prioriteiten komen niet neutraal tot stand, dat is aangetoond. Vooral als bedrijfs- of staatsgeheimen of geheime werkwijze bedreigd zouden kunnen worden. Zowel van bovengrondse, als underground, of net opgestarte grassroots netwerken. Signalling via openbare media is al zo oud als dagbladjournalistiek zelf. Op iedere ambassade zit er iemand dagelijks de kranten te lezen en knipselarchieven bij te houden. Geheime diensten en poortwachters in de wetenschap en journalistiek zijn dol op elkaar.
De juridische contexten van zaken verschillen, maar met een aantal figuren uit de digitale transparantiebeweging, waar ik Assange, Appelbaum (en Kamphuis ook) toe reken, zijn aparte life events voorgevallen. Nog wel een paar.
Falsificatie (met controlegroep) is niet de enige onderzoeksvorm, en zeker niet bij het onderzoeken van het gebied waar complexe formele en informele machtsstructuren op elkaar inwerken. Process Tracing wordt daarbij gebruikt: tijdlijn met daarop lekken, informele acties en contacten, juridische druk opvoeren etc, dan kan strategische sturing wel degelijk worden aangetoond, zelfs zonder dat er sprake is van een formeel netwerk.
Het is overigens al decennia bekend dat BVD-AIVD actief beïnvloedend optrad in het medialandschap. Een paar amper gelezen tijdschriften zoals Mijn Idee of Arts en Auto financieren, dat zijn de kosten niet om netwerken aan zich te binden en informeren. Zelfs in triviale narratieven verpakt als biechtverhalen, waaronder misdaadlectuur, kunnen een maatschappelijke frames worden voorbereid of getest. Zoals vroeger de ingezonden brievenrubriek, of daarvoor speciaal ontworpen media war het publiek kon opbellen. De geruchten rond Simon Carmiggelt in het journalistieke metier waren immers ook in elke kroeg bekend. Het kant-en-klaar aanleveren van stukken, ook over schandalen en rechtszaken (primeur!) aan kranten, is ook bekend verschijnsel.
Er hoeft niet gezocht te worden naar een netwerk dat normen produceert, maar onderzoek kan zich ook richten op keten van causale mechanismen en sporen: wanneer en via welk kanaal, de financiële en redactionele sporen, zoekend naar antwoorden op de vraag op schandalen (of verdwijningen, of geforceerde mental breakdowns) organisch zijn ontstaan, of georkestreerd is. Ook al is het niet openlijk, het kan wel degelijk intentioneel zijn. Dit is zowel wetenschappelijk, als journalistiek hard te maken.
Tegenwoordig kan dat met microtargeting via internetverbindingen op de smartphone nog eenvoudiger, ook voor de AIVD en andere (buitenlandse?) netwerken die van ongeveer dezelfde technieken gebruik maken.
De laatste keer voor mij:
De kernfout in deze redenering is dat
mogelijke beïnvloeding wordt behandeld alsof zij al een aannemelijke verklaring voor de waargenomen patronen is.
Dat seksualiteit, schandalen en politieke crises historisch soms samenvallen, bewijst op zichzelf vrijwel niets: zulke onderwerpen zijn juist intrinsiek nieuwswaardig en politiek explosief. Watergate, Iran-Contra en andere bekende affaires vormen bovendien geen controlegroep waaruit je kunt afleiden dat vergelijkbare gebeurtenissen zonder politieke sturing niet zouden voorkomen.
Een reeks opvallende gebeurtenissen is nog geen causaal patroon.
Dat geldt ook voor de term *strategische convergentie*: wanneer actoren hetzelfde handelen, kan dat voortkomen uit gedeelde prikkels, professionele normen of simpelweg dezelfde informatie, zonder onderlinge afstemming.
Daarmee wordt een formeel complot weliswaar vermeden, maar het risico ontstaat dat hetzelfde verklaringsmodel vrijwel unfalsifieerbaar wordt.
Als media-aandacht, juridische prioritering én het ontbreken van aandacht allemaal als mogelijke aanwijzing voor sturing gelden, kan vrijwel iedere uitkomst achteraf in het model worden ingepast. Process tracing lost dat probleem niet automatisch op. Het is een krachtige methode, maar alleen wanneer vooraf gespecificeerde causale mechanismen daadwerkelijk onderscheidend bewijs opleveren en concurrerende verklaringen serieus worden getoetst. Een tijdlijn met lekken, contacten en juridische gebeurtenissen toont correlatie; zij toont pas sturing wanneer de sporen specifiek waarschijnlijker zijn onder de hypothese van sturing dan onder plausibele alternatieven.
Daarvoor zijn bijvoorbeeld onafhankelijke bronnen, temporele voorspellingen, directe documenten of communicatie, en duidelijke counterfactuals nodig.
Ook de historische vaststelling dat veiligheidsdiensten journalisten hebben beïnvloed, betekent niet dat een specifieke hedendaagse mediacampagne door een veiligheidsdienst is veroorzaakt. Van bewezen historische capaciteit naar actuele causale betrokkenheid springen is precies de inferentiële stap die bewezen moet worden.
Hetzelfde geldt voor Mabel-Gate, Assange, Appelbaum en Kamphuis: dat mensen uit dezelfde bredere omgeving opmerkelijke of belastende gebeurtenissen meemaken, vormt geen bewijs voor één onderliggende actor of causaliteitsketen.
Bovendien is selectie-effect hier enorm relevant: spectaculaire gevallen worden onthouden, terwijl duizenden vergelijkbare gebeurtenissen zonder politieke dimensie nauwelijks een historisch spoor nalaten.
Dat creëert achteraf gemakkelijk de indruk van een patroon.
Bij CSAM komt daar nog iets fundamenteels bij: de maatschappelijke en juridische prioriteit kan uitstekend worden verklaard door de daadwerkelijke ernst en slachtoffers van het delict, zonder dat daarvoor politieke instrumentalisering nodig is.
Dat machthebbers een bestaand maatschappelijk sentiment kunnen exploiteren is triviaal waar, maar zegt nog niets over de oorsprong van dat sentiment of over concrete exploitatie in een specifieke zaak.
Ook moderne microtargeting verandert dat niet: technische mogelijkheid is geen bewijs van gebruik, laat staan van gebruik door AIVD of buitenlandse diensten.
De wetenschappelijke vraag is dus niet of orkestratie *denkbaar* is - dat is ze vrijwel altijd - maar welke observeerbare consequenties de orkestratiehypothese heeft die andere verklaringen niet voorspellen.
Zonder die onderscheidende consequenties verschuift de analyse van empirisch onderzoek naar patroonherkenning.
En juist bij complexe machtsstructuren is dat gevaarlijk, omdat een elegant verklaringsmodel gemakkelijk meer samenhang suggereert dan de bronnen daadwerkelijk dragen.
De juridische contexten van zaken verschillen, maar met een aantal figuren uit de digitale transparantiebeweging, waar ik Assange, Appelbaum (en Kamphuis ook) toe reken, zijn aparte life events voorgevallen. Nog wel een paar.
Ja, maar ook hier zit precies dezelfde methodologische valkuil. Dat verschillende prominente personen uit een bepaalde beweging afzonderlijk opmerkelijke juridische, persoonlijke of professionele gebeurtenissen hebben meegemaakt, is op zichzelf nog geen aanwijzing voor gecoördineerde tegenwerking.
Je zou die gebeurtenissen pas als aanwijzingen voor één mechanisme kunnen behandelen wanneer je eerst onafhankelijk vaststelt dat er
meer samenhang is dan de base rate en selectiebias verwachten. Daarvoor moet je onder meer alle relevante personen meenemen, ook degenen bij wie niets bijzonders gebeurde, en vooraf bepalen welke gebeurtenissen als bewijs tellen.
Anders ontstaat een klassieke
selection-on-the-dependent-variable: je begint met mensen die opvallende gebeurtenissen hebben meegemaakt en gebruikt vervolgens die gebeurtenissen om te concluderen dat de groep opvallend vaak wordt getroffen.
Bij Assange, Appelbaum en Kamphuis kunnen bovendien verschillende causale mechanismen spelen: hun publieke activiteiten, internationale contacten, juridische kwetsbaarheid, beroepskeuzes en persoonlijke omstandigheden verschillen aanzienlijk. Dat maakt één gemeenschappelijke verklaring juist een hypothese die extra bewijs vereist.
Een patroon van opmerkelijke
life events is dus interessant als
onderzoeksvraag, maar niet als bewijs voor politieke instrumentalisering. Het onderscheid tussen die twee is hier cruciaal.
Je hebt wat mij betreft geen enkele kennis van het doen van onderzoek, laat staan van het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
Ik ga nu weer wat nuttigs doen met mijn tijd.